De onderbouw (klas 1 t/m 6)
Voor de kleuter is het vanzelfsprekend dat zijn daden, beleven en denken nog min of meer onbewust en dromend plaats vinden. Daardoor heeft de kleuter al zijn kracht kunnen stoppen in de opbouw van zijn lichaam.
Als de opbouw van het lichaam is afgerond (er vindt alleen nog groei plaats) komt de opbouw-kracht vrij beschikbaar voor wakkere denkprocessen.
Vanaf ongeveer het zevende jaar kunnen kinderen bewust worden aangesproken op deze ontwikkeling. Het is van het grootste belang dat dit bewustzijn niet kaal of koud abstract gevormd wordt. De kunstzinnige taal van de beelden geeft altijd de mogelijkheid tot groei en metamorfose. Zoals een goed boek waarin je jaren later ontdekt dat er tussen de regels door ook nog een tweede en een derde verhaal verteld wordt.
De vaardigheden lezen, schrijven en rekenen proberen we zo aan te leggen dat ze voor de kinderen een hulpmiddel zijn bij hun eigen ontwikkeling. Het ontdekken en herkennen van de structuur in de taal en bij het rekenen zijn bijvoorbeeld een belangrijker proces dan het louter begripsmatige weten. Zo geeft bijv. de som 10=....... met zijn vele mogelijkheden een andere en ruimere bijdrage aan de ontwikkeling dan de som 6 + 4 = .... (beide soorten komen overigens aan de orde).
Het leren
Het leren in de onderbouw vindt plaats door middel van menselijk contact, niet met boeken of met behulp van film en videoapparatuur. Wat door de leerkracht behandeld wordt kleedt hij in beelden, en vanuit de verhalen en beelden die door hun inhoud een steun zijn voor het geheugen, worden de begrippen ontwikkeld. Ook ritme en beweging (zie het kleuteronderwijs) zijn middelen om het geheugen te versterken en zorgen dat niet alleen het hoofd, maar ook de ledematen worden aangesproken.
Alle vormgeving is kunstzinnig: tekenen, schilderen, boetseren, muziek en toneel vormen een integraal bestanddeel van het totale onderwijsaanbod.
Hierdoor kunnen de kinderen levenskunstenaars worden.
Periode-onderwijs
Kenmerkend voor het lesrooster op De Toermalijn is, dat in zowel onderbouw als bovenbouw gebruik wordt gemaakt van het zgn. periode-onderwijs. Gedurende een 4 tal weken worden de eerste twee lesuren, 's ochtends als de kinderen nog fris zijn, aan een bepaald vak gewijd. Hierbij wordt dan de nieuwe leerstof aangelegd en de reeds aangeboden leerstof geoefend. Dit brengt een enorme intensivering met zich mee, het is mogelijk om diep op de stof in te gaan. Iedere dag kan voortgebouwd worden op wat de vorige dag behandeld is.
Er wordt getracht nieuwe leerstof steeds op een dusdanige manier te brengen dat het kind zich er werkelijk mee verbonden voelt, en dit ook op een plezierige manier kan oefenen, waarbij z'n hele lichaam mee mag doen.
Na zo'n periode blijft het betreffende vak een langere tijd rusten. Op deze wijze kan de leerstof "verteerd" worden. Het blijkt vaak in een volgende periode dat de verteerde leerstof tot eigendom van de leerlingen is geworden. Bij het periode-onderwijs gaat het vooral om rekenen en taal. Daarnaast zijn er vaklessen die het hele jaar door volgens een vast weekrooster gegeven worden.
De onderwijsvorm
De onderwijsstof wordt grotendeels klassikaal aangeboden. De verwerking van de lesstof vindt door elke leerling individueel plaats, op eigen wijze en naar eigen vermogen.
Van elke periode wordt een periodeschrift gemaakt, waarin samenvattingen en oefeningen komen van de behandelde stof, omgeven door illustraties, voorbeelden en uitgewerkte oefeningen. Zo ontstaan de eigen leerboeken voor de kinderen.
De vertelstof (onderbouw)
De vertelstof vormt een belangrijk onderdeel in het onderwijs in de onderbouw.
De verhalen zijn afkomstig uit de enorme hoeveelheid aan sprookjes, mythen en sagen die onze cultuur te bieden heeft. Ook de geschiedenis is een belangrijke bron. Deze verhalen hebben een grote rijkdom aan beelden die als leidraad kunnen dienen voor de ontwikkeling van het kind. Aan de hand van de beschrijving van de vertelstof uit de verschillende klassen zal dit duidelijker worden. Het tijdstip waarop met de verschillende verhalen wordt begonnen is afhankelijk van de geaardheid van de combinatieklassen.
De eerste klas
In het sprookje krijgt het kind bevestigd wat het eigenlijk al weet en waar het in deze fase heel gevoelig voor is: het thema goed en kwaad. Dit komt in ieder sprookje voor. Een sprookje is een fantasieverhaal dat een beeld geeft van innerlijke gebeurtenissen. Het kind leeft nog in een fantasiewereld en het kan zich gemakkelijk in de sfeer van het sprookje verplaatsen. Daardoor beleeft het gevoelens als medeleven, nieuwsgierigheid, angst, voldoening, vreugde en zo meer. Het verschil tussen goed en kwaad in combinatie met die gevoelens helpt het kind bij het vormen van zijn geweten en ontwikkelt het gevoel voor normen en waarden.
De tweede klas
De tweedeklasser gaat over van de sprookjeswerel naar de heiligenlegenden en fabels. In de karakters van fabeldieren leert het kind allerlei zielekwaliteiten te spiegelen. De slimme vos tegenover de domme ezel, de snelle haas tegenover de trage schildpad enz. Voor het kind kan dit soms verwarrend zijn. Daarom worden naast deze vaak grappige en zeer menselijke verhalen ook heiligenlegenden verteld. Het is goed om ook verhalen te horen over mensen die gestreefd hebben naar een menselijke volmaaktheid.Ze roepen verwondering op en ontzagop.
De derde klas
In de derde klas worden er verhalen uit het Oude Testament aangeboden. De kinderen herkennen zichzelf onbewust als zij luisteren naar de zondeval van Adam en Eva, de zondvloed, de tocht van Mozes, de kracht van David. Dat geeft aan wat de kinderen rond het negende levensjaar zelf moeten doormaken; zichzelf vinden als individu en niet meer als een geheel met de omringende wereld. Zij moeten een "nieuw verbond" sluiten met de mensen in hun omgeving, met het gebod en de willekeur, met opzien en afwijzen. Maar ze krijgen er ook een soort vertrouwen in dat doorzettingsvermogen de mens verder kan brengen.
De vierde klas
Vanaf de vierde klas wordt de scheiding tussen mensen en godenwereld in de verhalen veel vager. De goden uit de Noorse en Germaanse mythologie hebben veel menselijke trekken en leveren elkaar streken waar de mensen van huiveren. Het geloof in een godenwereld wordt door de vierdeklasser ook al een beetje in twijfel getrokken. Het eigen individu gaat weer een duidelijker plaats innemen. Aan het eind van de verhalen gaat ook de godenwereld ten onder. Dit is een heel dramatisch moment in de ontwikkeling van een kind. Het gaat voor het eerst ook echte eenzaamheid ervaren. Gelukkig biedt de humor in de verhalen een goed tegenwicht.
De vijfde klas
Voor de vijfde klassers zijn verhalen over de Griekse mythologie bijzonder geschikt. De "echte" geschiedenis begint er al in door te klinken. De kinderen krijgen daar ook echt behoefte aan. De godenwereld wordt definitief verlaten en de mensenwereld wordt binnengetreden.
De zesde klas
Voor de zesde klas zijn de oude verhalen over de Romeinen bijzonder geschikt. Deze nemen de macht van de wereld in handen, ze zijn onoverwinnelijk, maar de Romeinen willen geen koning; ze willen zelf besturen! De grondslag voor ons democratisch stelsel wordt in die tijd gelegd.
Zesde klassers voelen vaak sterk de drang om ook de macht in handen te nemen, maar ze zijn ook nog erg onzeker. Ze vinden het heerlijk om naar de verhalen over de kracht van het Romeinse leger te luisteren. Ook hebben ze houvast aan de strenge wetten die in dit leger werden nageleefd.
De vaklessen
De vakken zoals Duits, Engels, schilderen, muziek, gymnastiek, handenarbeid, vormtekenen en euritmie, komen elke week op eenzelfde dag en uur terug.Het vak euritmie wordt door een vakleerkracht gegeven.
Bij enkele vakken staan we even stil.
Vreemde talen
Engels en Duits worden zoveel mogelijk vanaf de 1ste klas aangeboden. Dat gebeurt eerst op de manier zoals het kind zich ook de moedertaal eigen maakt.Dus spelenderwijs en door te luisteren naar klanken en woorden, door liedjes en spelletjes.Vanaf de vierde klas wordt grammatica toegevoegd. Tegen die tijd zijn de kinderen in staat zich in eenvoudige situaties in de vreemde taal uit te drukken.Ze oefenen dat onder meer in toneelstukjes.
Vormtekenen
Het vormtekenen begint in de eerste klas met het op talloze manieren op papier zetten van rechte en gebogen lijnen. Dan volgen de spiralen die zich naar binnen en naar buiten wikkelen. Steeds komt er meer bij, zoals symmetrie in de 2e klas en vlechtmotieven in de 4e-klas.
In de vijfde klas krijgen de kinderen de vormentaal uit de oude cultuurperioden uiteindelijk komt men in de 6e en 7e klas bij perspectieftekenen en ingewikkelde geometrische figuren.
In dit vak wordt bij het kind de oog-hand coördinatie, ruimtelijke oriëntatie en het gevoel voor kleurgebruik ontwikkeld.
Gymlessen en Euritmie
Kinderen willen bewegen, moeten bewegen, zijn één en al beweging. Op school wordt daar op verschillende manieren aan tegemoet gekomen. Wij noemen twee daarvan: gymnastiek en euritmie.
In de gymnastieklessen wordt de nadruk vooral gelegd op het lichamelijke. Het gaat vooral om een goede houding, om de juiste ontwikkeling van de spieren e.d. Dat dit ook ziel en geest ten goede komt, is al een oude wijsheid: "een gezonde geest in een gezond lichaam".
Voor de eerste klas worden de gymlessen nog verzorgd op school. Vanaf klas 2 vertrekken de kinderen 2x per week naar een andere locatie in de buurt waar de zaal beter is toegerust voor dit doel.
Euritmie is een vak dat echt bij een Vrije School hoort. Het is een bewegingsvorm waarbij het gesproken woord en de muziek in de menselijke beweging zichtbaar wordt. Juist in de euritmie worden de drie zielekwaliteiten: het denken, voelen en willen op een harmonische manier in samenhang gebracht met de lichamelijke ontwikkeling. Het gaat om met gebaren het gesproken woord en de muziek zichtbaar te maken. In de woordeuritmie maakt men bijvoorbeeld klinkers, medeklinkers en de stemming zichtbaar, vormt men een woord- of zinsgebaar of maakt men de opbouw van een gedicht in een choreografische ruimtevorm zichtbaar. In de tooneuritmie wordt de muziek zichtbaar door toonsoort, intervallen, maat, melodie en ritme in bewegingen uit te drukken.
Euritmie werkt vormend op de wilskracht, de innerlijke beweeglijkheid, de concentratie en het sociale gedrag van de kinderen. Het werkt zeer ondersteunend voor het overige onderwijs
Oudleerlingen zeggen soms: "Ik snap nu pas hoeveel ik aan euritmie heb gehad. Ik kan me zoveel beter bewegen dan anderen!"
Schilderen en tekenen
Door het opwekken van kleur- en vormgevoel wordt de gevoelswereld van de kinderen verrijkt. Zo gaan de kleuren beleven en realiseren zich dat elke kleur een eigen "taal" spreekt. De kinderen wordt geleerd om harmonische en karakteristieke kleurcombinaties te schilderen. Hierdoor leren ze de eigen stemmingen in vorm en kleur uit te drukken en op latere leeftijd ook in zwart/wit.
Handenarbeid/handwerken
Door het zelf leren maken van allerlei gebruiksartikelen met behulp van elementaire technieken zoals breien, haken, naaien, snijden, boetseren, wordt de wil en het vermogen tot vormgeving zinvol geoefend. Door zelf dingen te maken krijgt het kind waardering voor alles wat reeds gemaakt is.
Schooltijden onderbouw
De onderbouw gaat in de 1e klas tot de kerst 5 dagen in de week naar school van 8.30 tot 13.30 (woensdag tot 13.00).
Daarna op maandag en vrijdag van 8.30 tot 13.30 en op dinsdag en donderdag van 8.30 tot 15.00 en woensdag van 8.30 tot 13.00.
In de 2e klas blijven de tijden gehanteerd die gelden van de eerste klas na kerst.
De 3e t/m de 6e klas gaan op maandag t/m vrijdag van 8.30 tot 15.00 en op woensdag van 8.30 tot 13.00.
Voor vragen en meer informatie
E-mail de Toermalijn: info@de-toermalijn.nl
E-mail Peuterspeelklas Morgenland: morgenland@de-toermalijn.nl
Ook kunt u bellen met 0252-524899
Adressen:
Basisschool de Toermalijn, Mauritslaan 5, 2181 SK Hillegom
Antroposofische Peuterspeelklas Morgenland, Pr. Irenelaan 16, 2181 CZ Hillegom